Gezondheid in Spanje sterk afhankelijk van sociale klasse: grote verschillen in roken, obesitas en bewegen
Hoe gezond iemand in Spanje leeft, hangt sterk samen met zijn of haar sociale positie. Uit de nieuwste nationale gezondheidsenquête blijkt dat roken, obesitas en lichamelijke inactiviteit veel vaker voorkomen onder mensen uit sociaal minder bevoordeelde groepen. De verschillen zijn opvallend groot: mannen uit de laagste sociale klasse roken drie keer zo vaak als mannen uit de hoogste klasse. Ook bij depressieve klachten, gebitsproblemen en toegang tot tandheelkundige zorg is de ongelijkheid aanzienlijk.
Gezondheid verschilt sterk per sociale klasse
Het Spaanse statistiekbureau INE publiceerde op 20 oktober de resultaten van de Encuesta de Salud de España 2025.
Daaruit blijkt niet alleen dat steeds meer Spanjaarden chronische gezondheidsproblemen rapporteren, maar ook dat de gezondheidsverschillen tussen sociale groepen groot zijn.
Van de mensen uit de hoogste sociale klasse beoordeelt ongeveer 79 procent de eigen gezondheid als goed of zeer goed.
Bij de laagste sociale klasse is dat slechts 62 procent.
Dat betekent een verschil van ongeveer 17 procentpunt.
De cijfers laten zien dat sociale omstandigheden sterk samenhangen met de ervaren gezondheid.
Mannen met lagere sociale positie roken drie keer zo vaak
Een van de grootste verschillen is zichtbaar bij tabaksgebruik.
Van de mannen uit de hoogste sociale klasse rookt 8,8 procent dagelijks.
Bij mannen uit de laagste sociale klasse is dat 26,6 procent.
Het percentage dagelijkse rokers is daarmee ruim drie keer zo hoog.
Opvallend is dat het dagelijkse roken onder de Spaanse bevolking als geheel juist afneemt.
In 2025 rookte 15,4 procent van de inwoners van 15 jaar en ouder dagelijks, tegenover 16,6 procent in 2023.
Die algemene daling neemt de grote verschillen tussen sociale groepen niet weg.
Obesitas treft vooral vrouwen uit lagere sociale klassen
Ook bij obesitas bestaan aanzienlijke verschillen.
Onder vrouwen uit de hoogste sociale klasse heeft 8,8 procent obesitas.
Bij vrouwen uit de laagste klasse bedraagt dit percentage 23,4 procent.
Dat is meer dan tweeënhalf keer zoveel.
Landelijk heeft 17,2 procent van de volwassenen obesitas.
In 2023 lag dit percentage nog op 15,2 procent.
De cijfers wijzen op een duidelijke relatie tussen sociale positie en obesitas, maar bewijzen niet dat inkomen of opleidingsniveau op zichzelf de directe oorzaak is.
Onder meer de voedselomgeving, werkbelasting, woonomstandigheden en mogelijkheden om te bewegen kunnen daarbij een rol spelen.
Drie keer zoveel lichamelijke inactiviteit
Ook bewegen in de vrije tijd verschilt sterk tussen de groepen.
In de hoogste sociale klasse heeft 12,2 procent een lichamelijk inactieve vrijetijdsbesteding.
In de laagste sociale klasse is dat 36,5 procent.
Het verschil is daarmee bijna een factor drie.
Een vergelijkbaar patroon is zichtbaar bij krachttraining.
Van de mensen uit de laagste sociale klasse doet 70 procent nooit aan krachttraining.
In de hoogste sociale klasse is dat 37 procent.
Ongeveer een kwart van de meest bevoordeelde groep traint één of twee dagen per week met gewichten of andere vormen van weerstandstraining.
Bij de minst bevoordeelde groep doet slechts 8,8 procent dit.
Deze cijfers gaan over gerapporteerde activiteiten in de vrije tijd. Ze beschrijven niet alle lichamelijke inspanning die mensen bijvoorbeeld tijdens hun werk verrichten.
Tandartsbezoek voor velen te duur
De verschillen worden nog duidelijker wanneer naar mondgezondheid wordt gekeken.
Van de mensen uit de laagste sociale klasse die tandheelkundige hulp nodig hadden, zag 18 procent daar om financiële redenen van af.
In de hoogste sociale klasse was dit 5,9 procent.
Ook gaan mensen met een lagere sociale positie minder vaak naar de tandarts.
Van hen heeft 45 procent al langer dan een jaar geen tandarts bezocht, tegenover 28,6 procent van de hoogste sociale klasse.
De gevolgen zijn zichtbaar in de gebitsgezondheid.
Bij 26 procent van de minst bevoordeelde groep is sprake van gaatjes, tegenover 13 procent van de meest bevoordeelde groep.
Het verschil is dus een factor twee.
Depressieve klachten komen vaker voor
De ongelijkheid beperkt zich niet tot lichamelijke gezondheid.
Ook bij mentale gezondheid zijn duidelijke verschillen zichtbaar.
In de hoogste sociale klasse heeft 10,6 procent een depressief klachtenbeeld volgens de gebruikte screeningsmethode.
Bij de laagste sociale klasse is dat 19,1 procent.
Vooral bij vrouwen is het verschil groot.
Van de vrouwen uit de hoogste sociale klasse vertoont 12,2 procent depressieve symptomen die binnen de onderzochte categorieën vallen.
Bij vrouwen uit de laagste sociale klasse is dat 23,3 procent.
Bij mannen liggen de percentages op respectievelijk 9,2 en 13,8 procent.
Deze cijfers gaan over depressieve klachtenbeelden zoals gemeten in een vragenlijst. Het betekent niet dat alle betrokkenen een formeel vastgestelde depressieve stoornis hebben.
Mantelzorg vraagt meer uren van minder bevoordeelde groepen
Ook de belasting door informele zorg verschilt.
Volgens het onderzoek geven mensen uit hogere sociale klassen vaker aan dat zij mantelzorg verlenen.
Maar wanneer mensen uit de laagste sociale klasse mantelzorg verlenen, besteden zij daar gemiddeld vaker veel tijd aan.
Van deze mantelzorgers geeft 34 procent aan twintig uur of meer per week voor een oudere of chronisch zieke persoon te zorgen.
In de hoogste sociale klasse is dat 13 procent.
Het verschil is aanzienlijk.
Langdurige mantelzorg kan gevolgen hebben voor vrije tijd, werk, financiële ruimte en het eigen welzijn.
De enquête laat echter niet zien dat de mantelzorgbelasting bij iedere betrokkene daadwerkelijk gezondheidsklachten veroorzaakt.
Minder mensen om op terug te vallen
Naast financiële en lichamelijke omstandigheden speelt ook sociale steun een rol.
Van de inwoners uit de laagste sociale klasse zegt ongeveer drie op de tien meer dan vijf mensen te hebben op wie zij in geval van nood kunnen rekenen.
Bij de hoogste sociale klasse ligt dat aandeel ongeveer tien procentpunt hoger.
Dat betekent dat mensen uit minder bevoordeelde groepen gemiddeld over een kleiner sociaal vangnet rapporteren.
Sociale steun kan belangrijk zijn bij ziekte, stress of praktische problemen.
Vooral mensen die langdurig voor een familielid zorgen, kunnen baat hebben bij voldoende ondersteuning.
Kinderen uit minder bevoordeelde gezinnen zitten vaker achter een scherm
Ook onder kinderen zijn verschillen zichtbaar.
Van de Spaanse kinderen tussen 1 en 14 jaar brengt 61,1 procent op doordeweekse dagen minstens een uur per dag voor een scherm door.
In de hoogste sociale klasse gaat het om 53,7 procent.
Bij kinderen uit de laagste sociale klasse stijgt dat percentage naar 67,2 procent.
Ook het aandeel kinderen dat nauwelijks of helemaal geen schermtijd heeft, verschilt tussen de groepen.
Bij de meest bevoordeelde gezinnen ligt dat aandeel rond 20 procent, ongeveer twee keer zo hoog als bij de minst bevoordeelde gezinnen.
Schermtijd is niet in iedere situatie schadelijk, maar langdurig zitten en onvoldoende beweging kunnen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen.
Waarom bestaan deze gezondheidsverschillen?
Gezondheid wordt beïnvloed door veel meer dan individuele keuzes.
Mensen met lagere inkomens kunnen bijvoorbeeld te maken hebben met beperkte financiële ruimte, onregelmatige werktijden, fysiek zwaar werk of minder mogelijkheden voor sport en ontspanning.
Ook de kosten van tandheelkundige zorg en de beschikbaarheid van geschikte voorzieningen spelen mee.
Daarnaast kunnen langdurige onzekerheid en maatschappelijke omstandigheden het welzijn beïnvloeden.
De onderzoeksresultaten laten sterke samenhangen zien, maar kunnen niet bewijzen welke factoren de verschillen afzonderlijk veroorzaken.
De verklaring ligt waarschijnlijk in een combinatie van omstandigheden.
Gezondheidszorg alleen is niet voldoende
Het onderzoek onderstreept hoe belangrijk preventie en toegankelijkheid zijn.
Gezondheidsvoorlichting kan helpen, maar heeft minder effect wanneer mensen onvoldoende middelen of mogelijkheden hebben om adviezen daadwerkelijk toe te passen.
Daarom vraagt het verkleinen van gezondheidsverschillen ook aandacht voor betaalbare voorzieningen, een gezonde leefomgeving en toegankelijke zorg.
Vooral mondzorg, mentale ondersteuning en laagdrempelige mogelijkheden om te bewegen zijn daarbij relevante aandachtspunten.
Spanje staat voor een bredere gezondheidsuitdaging
De nieuwste gezondheidsenquête laat zien dat 66,2 procent van de inwoners van 15 jaar en ouder een chronische ziekte of langdurig gezondheidsprobleem rapporteert.
Dat is een duidelijke stijging ten opzichte van 2023.
Maar achter dat landelijke gemiddelde schuilen grote sociale verschillen.
De cijfers maken duidelijk dat niet iedereen dezelfde mogelijkheden heeft om gezond te blijven.
De belangrijkste conclusie is dat gezondheidsproblemen in Spanje ongelijk verdeeld zijn. Vooral mensen uit minder bevoordeelde sociale groepen hebben vaker obesitas, roken vaker en zijn minder actief in hun vrije tijd. Ook de toegang tot tandheelkundige zorg en de mentale gezondheid laten aanzienlijke verschillen zien.
