Resten van 157 slachtoffers van Franco-repressie opgegraven uit massagraven in Andalusië

In het Andalusische mijnstadje Minas de Riotinto, in de provincie Huelva, zijn inmiddels de stoffelijke resten van 157 slachtoffers van de repressie tijdens en na het begin van de Spaanse Burgeroorlog uit massagraven gehaald.

De vondsten zijn het resultaat van een jarenlang onderzoek op de gemeentelijke begraafplaats Santa Bárbara.

Archeologen, antropologen, historici en genetisch onderzoekers proberen niet alleen vast te stellen wie de slachtoffers waren, maar ook hun resten uiteindelijk terug te geven aan nabestaanden.

Jarenlange opgravingen

De 157 slachtoffers zijn niet tijdens één recente opgraving gevonden.

Het gaat om het totaal van verschillende campagnes die gedurende meerdere jaren op de begraafplaats zijn uitgevoerd.

Daarbij werden verschillende massagraven geopend en systematisch onderzocht.

Volgens de gemeente Minas de Riotinto nadert het archeologische werk nu zijn einde.

Er resteert nog slechts één kleinere massagrafkuil die moet worden onderzocht.

Daarna is de fysieke opgravingsfase op deze begraafplaats grotendeels afgerond.

DNA-onderzoek gaat nog jaren door

Met het opgraven van de resten is het onderzoek echter niet afgelopen.

Van de gevonden botresten worden DNA-monsters genomen.

Die worden vergeleken met genetisch materiaal van familieleden van mensen die tijdens de Burgeroorlog en de daaropvolgende repressie verdwenen.

Dat proces kan ingewikkeld zijn.

Veel directe familieleden zijn inmiddels overleden en na ongeveer negentig jaar is niet altijd meer bekend waar eventuele nabestaanden wonen.

Bovendien levert oud botmateriaal niet altijd voldoende bruikbaar DNA op.

Doel: slachtoffers een naam teruggeven

Wanneer er een genetische overeenkomst wordt gevonden, kan een slachtoffer officieel worden geïdentificeerd.

De stoffelijke resten kunnen vervolgens aan de familie worden overgedragen voor een persoonlijke herbegrafenis.

Voor veel families betekent dat het einde van een zoektocht die meerdere generaties heeft geduurd.

Decennialang wisten sommige nabestaanden wel dat hun vader, grootvader of overgrootvader was opgepakt en gedood, maar niet precies waar hij begraven lag.

Guardia Civil-korporaal inmiddels geïdentificeerd

Een van de slachtoffers die inmiddels met zekerheid is geïdentificeerd is Luis Ortega Godoy, in Minas de Riotinto bekend als Cabo Godoy.

Hij was korporaal bij de Guardia Civil.

Ortega Godoy werd op 26 augustus 1936 geëxecuteerd, enkele weken na de militaire opstand waarmee de Spaanse Burgeroorlog begon.

Hij bleef trouw aan de toenmalige republikeinse regering.

Mijnwerkers getraind

Ortega Godoy was afkomstig uit Zafarraya in de provincie Granada.

Toen de militaire opstand in juli 1936 begon, hielp hij in Minas de Riotinto een groep mijnwerkers trainen die de plaats wilden verdedigen tegen de oprukkende troepen van de opstandelingen.

Dat maakte hem tot doelwit.

Hij werd uiteindelijk geëxecuteerd en in een gemeenschappelijk graf op de begraafplaats Santa Bárbara begraven.

Hij wordt beschouwd als een van de eerste slachtoffers van de repressie in de plaats.

Ruim 80 jaar later terug naar familie

Zijn stoffelijke resten werden tijdens opgravingen in 2022 aangetroffen.

Onderzoekers ontdekten aanwijzingen dat hij nog steeds zijn uniform van de Guardia Civil droeg toen hij werd begraven.

DNA-onderzoek maakte uiteindelijk een definitieve identificatie mogelijk.

Op 9 april 2026, bijna negentig jaar na zijn dood, werden zijn resten officieel overgedragen aan zijn familie.

Zijn kleindochter nam de resten namens de familie in ontvangst.

Bij de ceremonie waren ook vertegenwoordigers van de Spaanse overheid en de Guardia Civil aanwezig.

Mijngebied kende hevige repressie

Minas de Riotinto ligt in een gebied dat al sinds de negentiende eeuw sterk verbonden is met mijnbouw.

De kopermijnen van Riotinto behoren tot de bekendste mijngebieden van Spanje.

In de eerste decennia van de twintigste eeuw bestond er een sterke arbeiders- en vakbeweging.

Na de militaire opstand van juli 1936 werd het gebied daardoor een belangrijk doelwit van repressie.

Vakbondsleden, lokale bestuurders, republikeinen en andere inwoners die als tegenstanders van de opstandelingen werden beschouwd, werden opgepakt.

Een deel werd geëxecuteerd en in massagraven begraven.

Veel slachtoffers verdwenen zonder officieel graf

Tijdens de Spaanse Burgeroorlog en de daaropvolgende dictatuur verdwenen in heel Spanje tienduizenden mensen.

Veel slachtoffers werden buiten begraafplaatsen of in anonieme gemeenschappelijke graven begraven.

Familieleden kregen vaak niet te horen waar hun geliefden terecht waren gekomen.

Na de dood van Franco in 1975 bleef een groot deel van die graven nog tientallen jaren onaangeroerd.

Pas later kwamen steeds meer initiatieven op gang om verdwenen slachtoffers te lokaliseren en te identificeren.

Andalusië telt honderden massagraven

Andalusië behoort tot de regio’s waar bijzonder veel graven uit deze periode zijn geregistreerd.

De officiële Andalusische kaart bevat momenteel ongeveer 900 locaties met massagraven.

Niet al deze plekken zijn volledig onderzocht.

Op verschillende plaatsen vinden nog steeds:

  • historisch onderzoek;
  • bodemonderzoek;
  • archeologische opgravingen;
  • antropologisch onderzoek;
  • en DNA-identificaties

plaats.

Het doel is om zoveel mogelijk vermiste slachtoffers uiteindelijk te kunnen identificeren.

Wettelijk geregeld onderzoek

De werkzaamheden vallen onder de Andalusische wet op historische en democratische herinnering.

Daarin is vastgelegd hoe massagraven uit de Burgeroorlog en de periode daarna moeten worden onderzocht.

Opgravingen moeten officieel worden goedgekeurd en worden uitgevoerd volgens archeologische en forensische protocollen.

Ook de Spaanse staat is sinds de nationale Wet op de Democratische Herinnering verantwoordelijk voor het zoeken naar mensen die tijdens de oorlog en de daaropvolgende politieke repressie verdwenen.

Identificatie blijft moeilijk

Hoewel duizenden resten inmiddels uit Spaanse massagraven zijn gehaald, lukt identificatie slechts in een deel van de gevallen.

Een belangrijke reden is het ontbreken van vergelijkbaar DNA van levende familieleden.

Daarom worden families van vermiste personen regelmatig gevraagd genetisch materiaal af te staan.

Onderzoekers proberen daarnaast met historische documenten, registers, getuigenissen en archieven een zo compleet mogelijk beeld te reconstrueren.

Nieuw monument op de begraafplaats

Tegelijk met het onderzoek wordt op de begraafplaats van Minas de Riotinto een permanent Monumento a la Memoria gebouwd.

Het monument moet een plaats worden waar slachtoffers en hun families kunnen worden herdacht.

Volgens de gemeente moet het een plek worden van:

  • herinnering;
  • respect;
  • erkenning;
  • en herdenking.

Daarmee krijgt de begraafplaats naast zijn archeologische betekenis ook een blijvende herdenkingsfunctie.

157 mensen, 157 afzonderlijke verhalen

De gemeente benadrukt dat achter het getal 157 afzonderlijke levens en families schuilgaan.

Voor sommige nabestaanden is inmiddels duidelijk geworden waar hun familielid bijna negentig jaar geleden is begraven.

Voor andere families gaat de zoektocht nog door.

De laatste kleine grafkuil op de begraafplaats moet nog worden onderzocht en ook de genetische analyses van de reeds gevonden resten worden voortgezet.

Werk bijna afgerond, zoektocht nog niet

Met het einde van de archeologische opgravingen komt een groot project in Minas de Riotinto langzaam tot een einde.

Maar het belangrijkste en waarschijnlijk langdurigste onderdeel loopt door:

de slachtoffers identificeren en hun naam teruggeven.

Voor families die soms al drie of vier generaties wachten op duidelijkheid, kan één DNA-match uiteindelijk betekenen dat een verdwenen familielid na bijna negentig jaar alsnog een herkenbare en persoonlijke rustplaats krijgt.

Vergelijkbare berichten