Acht jaar Pedro Sánchez in Spanje: miljoenen extra banen, maar huizen 74 procent duurder
Spanje heeft onder premier Pedro Sánchez een sterke groei van de werkgelegenheid doorgemaakt. Sinds zijn aantreden in juni 2018 zijn er ruim 3,4 miljoen werkenden bijgekomen en is het minimumloon met bijna 66 procent gestegen. Toch staat de koopkracht van veel huishoudens onder druk. Huizen zijn fors duurder geworden, de huren zijn sterk gestegen en ook de dagelijkse boodschappen kosten aanzienlijk meer. Wat zeggen de cijfers over acht jaar economisch beleid in Spanje?
Spanje heeft ruim 3,4 miljoen extra werkenden
Toen Pedro Sánchez in juni 2018 premier werd, telde Spanje ongeveer 19,34 miljoen werkenden.
Volgens de nieuwste beschikbare gegevens van het Spaanse statistiekbureau INE waren dat er in het tweede kwartaal van 2026 bijna 22,78 miljoen.
Daarmee is het aantal werkenden in acht jaar met ongeveer 3,44 miljoen toegenomen.
Ook de werkloosheid is aanzienlijk gedaald.
In 2018 bedroeg de werkloosheid nog 15,28 procent. In het tweede kwartaal van 2026 was dit 9,87 procent.
Dat betekent dat Spanje voor het eerst in lange tijd weer een werkloosheidspercentage onder de tien procent heeft bereikt.
De groei van de werkgelegenheid hangt samen met verschillende ontwikkelingen, waaronder economisch herstel, bevolkingsgroei, immigratie en veranderingen op de arbeidsmarkt.
Niet alle verbetering kan daarom rechtstreeks aan één regering worden toegeschreven.
Minder tijdelijke arbeidscontracten
Ook de aard van het werk is veranderd.
In 2018 had ongeveer 27 procent van de werknemers een tijdelijk contract. In 2026 is dat aandeel teruggelopen tot ongeveer 15 procent.
De arbeidsmarkthervorming die eind 2021 werd goedgekeurd, heeft bijgedragen aan deze verandering.
Werkgevers zijn sindsdien vaker verplicht om arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd aan te bieden.
Hierdoor hebben meer werknemers formeel een vast contract gekregen.
Toch betekent dit niet automatisch dat iedereen meer inkomenszekerheid heeft.
Sommige werknemers hebben bijvoorbeeld een vast-discontinu contract, waarbij zij alleen gedurende bepaalde periodes van het jaar daadwerkelijk werken.
Minimumloon bijna 66 procent hoger
Een van de opvallendste veranderingen onder Sánchez is de verhoging van het Spaanse minimumloon.
In 2018 bedroeg het minimumloon 730,90 euro bruto per maand, uitbetaald in veertien termijnen.
In 2026 is dat gestegen tot 1.221 euro bruto per maand.
Dat betekent een nominale stijging van ongeveer 65,9 procent.
Voor werknemers die het minimumloon verdienen, is dit een aanzienlijke verbetering.
Ook het gemiddelde loon is gestegen, van ongeveer 1.923 euro per maand in 2018 naar 2.400 euro in het eerste kwartaal van 2026.
Maar hogere lonen betekenen niet automatisch dat werknemers meer kunnen kopen.
Daarvoor moet ook rekening worden gehouden met de gestegen kosten van levensonderhoud.
Boodschappen ruim 41 procent duurder
Voor veel Spaanse huishoudens zijn vooral de dagelijkse boodschappen een grote kostenpost geworden.
Volgens een berekening op basis van cijfers van het INE zijn voedingsmiddelen en alcoholvrije dranken tussen juni 2018 en maart 2026 gemiddeld 41,5 procent duurder geworden.
Een boodschappenpakket dat in 2018 nog 100 euro kostte, zou bij dezelfde samenstelling in maart 2026 ongeveer 141,50 euro kosten.
De sterke prijsstijgingen werden onder meer veroorzaakt door verstoringen tijdens de coronapandemie, hogere energieprijzen en internationale economische ontwikkelingen.
Hoewel de inflatie in bepaalde perioden afnam, bleven veel producten op een hoger prijsniveau.
Wanneer de inflatie daalt, betekent dat namelijk meestal dat prijzen langzamer stijgen en niet dat ze terugkeren naar hun oude niveau.
In september 2026 bedroeg de Spaanse inflatie opnieuw 4,9 procent op jaarbasis.
Vooral huishoudens met lagere inkomens worden relatief zwaar geraakt door stijgende prijzen van noodzakelijke producten.
Koopwoningen bijna 74 procent duurder
De sterkste prijsstijging is zichtbaar op de Spaanse woningmarkt.
Volgens historische cijfers van vastgoedplatform Idealista is de gemiddelde geadverteerde verkoopprijs gestegen van 1.680 euro per vierkante meter in juni 2018 naar 2.914 euro in juni 2026.
Dat betekent een stijging van ongeveer 73,5 procent.
Voor een woning van 80 vierkante meter ziet het verschil er als volgt uit:
| Juni 2018 | Juni 2026 | |
|---|---|---|
| Vraagprijs per m² | € 1.680 | € 2.914 |
| Vraagprijs woning van 80 m² | € 134.400 | € 233.120 |
| Verschil | + € 98.720 |
Het gaat hierbij om landelijke gemiddelde vraagprijzen. De daadwerkelijke verkoopprijzen en regionale ontwikkelingen kunnen hiervan afwijken.
Vooral in populaire regio’s zoals Madrid, Barcelona, Málaga, Alicante en de Balearen staan de woningprijzen onder druk.
Volgens officiële cijfers van het INE steeg de Spaanse huizenprijsindex in het tweede kwartaal van 2026 bovendien met 12,2 procent ten opzichte van een jaar eerder.
Ook huren fors gestegen
Niet alleen het kopen van een woning is duurder geworden.
Ook huurders betalen aanzienlijk meer.
Volgens Idealista is de gemiddelde geadverteerde huurprijs gestegen van 10,40 euro per vierkante meter per maand in juni 2018 naar 15,20 euro in juni 2026.
Dat is een stijging van 46,2 procent.
Voor een huurwoning van 80 vierkante meter betekent dit:
- 2018: gemiddeld 832 euro per maand.
- 2026: gemiddeld 1.216 euro per maand.
- Verschil: 384 euro per maand, oftewel 4.608 euro per jaar.
Deze bedragen zijn gebaseerd op nieuwe huuradvertenties. Bestaande huurcontracten kunnen aanzienlijk goedkoper zijn.
Vooral jongeren en huishoudens zonder koopwoning ondervinden problemen door de hoge woonlasten.
In veel populaire steden is het moeilijk geworden om met één gemiddeld inkomen zelfstandig een woning te huren.
Jongeren blijven kwetsbaar op arbeidsmarkt
Hoewel de algemene werkloosheid sterk is gedaald, blijft de situatie voor jonge Spanjaarden lastig.
In 2018 was 34,6 procent van de economisch actieve jongeren onder de 25 jaar werkloos.
In het tweede kwartaal van 2026 was dat percentage gedaald naar 23,77 procent.
Dat is een aanzienlijke verbetering, maar nog steeds bijna één op de vier jongeren die werken of werk zoeken.
In combinatie met de hoge huur- en koopprijzen betekent dit dat veel jonge volwassenen moeite hebben om zelfstandig te gaan wonen.
Ook het sparen voor een eerste koopwoning is voor deze groep steeds moeilijker geworden.
Pensioenen stijgen met ruim 45 procent
Spaanse gepensioneerden hebben eveneens te maken gekregen met inkomensstijgingen.
Het gemiddelde pensioen bedroeg in juni 2018 ongeveer 1.084 euro per maand.
In juni 2026 was dit gestegen naar circa 1.573 euro.
Dat is een toename van ongeveer 45 procent.
Een belangrijke factor is de koppeling van pensioenverhogingen aan de inflatie.
Daardoor worden pensioenen periodiek aangepast aan de prijsontwikkeling.
Toch kan de daadwerkelijke koopkracht per gepensioneerde verschillen, afhankelijk van onder meer woonlasten, zorguitgaven en persoonlijke omstandigheden.
Eén op de vier Spanjaarden loopt risico op armoede
Ondanks de verbeteringen op de arbeidsmarkt blijft armoede een belangrijk maatschappelijk probleem.
Volgens de AROPE-indicator liep in 2025 ongeveer 25,7 procent van de Spaanse bevolking risico op armoede of sociale uitsluiting.
In 2018 was dit 26,2 procent.
Er is dus sprake van een lichte verbetering, maar nog altijd bevindt ongeveer één op de vier inwoners zich in een kwetsbare financiële positie.
In 2025 gaf bovendien 8,5 procent van de bevolking aan zeer moeilijk rond te kunnen komen.
Vooral huishoudens met lage inkomens en hoge woonlasten blijven gevoelig voor verdere prijsstijgingen.
Staatsschuld blijft boven 1,7 biljoen euro
Ook de Spaanse overheidsfinanciën zijn in acht jaar sterk veranderd.
In 2018 bedroeg de staatsschuld ongeveer 97,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp).
Tijdens de coronapandemie steeg deze verhouding tot meer dan 124 procent.
Sindsdien is de schuld als percentage van de economie weer gedaald.
In juli 2026 kwam de staatsschuld uit op ongeveer 99,9 procent van het bbp.
In absolute bedragen is de schuld echter verder gestegen.
Spanje had in juli ongeveer 1,744 biljoen euro aan overheidsschuld.
Dat betekent dat de Spaanse economie inmiddels groter is geworden ten opzichte van de schuld, maar dat het totale bedrag dat de overheid verschuldigd is nog altijd aanzienlijk hoger ligt dan acht jaar geleden.
Waarom zijn Spaanse woningen zo duur geworden?
De sterke stijging van de woningprijzen heeft meerdere oorzaken.
In populaire Spaanse regio’s is de vraag naar woningen sterk gegroeid, terwijl de nieuwbouw niet overal gelijke tred hield.
Daarnaast spelen bevolkingsgroei, buitenlandse investeringen, toeristische verhuur en de beschikbaarheid van bouwgrond een rol.
Ook de kosten van bouwmaterialen, personeel en financiering beïnvloeden de woningmarkt.
De Spaanse regering heeft verschillende maatregelen ingevoerd om huurders te beschermen en het woningaanbod te vergroten.
Critici vinden dat deze maatregelen onvoldoende effect hebben of soms het aanbod van huurwoningen beperken.
Voorstanders wijzen juist op het belang van bescherming tegen hoge huurprijzen en huisuitzettingen.
De discussie over woningbeleid is daarmee een belangrijk onderdeel geworden van het politieke debat in Spanje.
Wat betekenen deze ontwikkelingen voor Nederlanders in Spanje?
Voor Nederlanders en Belgen die in Spanje wonen of een woning willen kopen, zijn vooral de gestegen woonlasten relevant.
De prijsontwikkeling op de Spaanse woningmarkt betekent dat een woning in veel regio’s aanzienlijk duurder is dan acht jaar geleden.
Dat geldt niet alleen voor de bekende kustplaatsen, maar ook voor steeds meer locaties in het binnenland.
Wie al een woning bezit, kan hebben geprofiteerd van de waardestijging.
Voor nieuwe kopers betekent dezelfde ontwikkeling juist dat zij meer eigen vermogen nodig hebben en mogelijk een hogere hypotheek moeten afsluiten.
Ook de dagelijkse kosten zijn gestegen.
Spanje kan in bepaalde opzichten nog altijd goedkoper zijn dan Nederland, maar het verschil hangt sterk af van de regio, de woonlasten en de persoonlijke leefstijl.
Acht jaar Sánchez: meer werkgelegenheid, maar ook hogere kosten
De economische cijfers over de periode 2018 tot 2026 laten een gemengd beeld zien.
Spanje telt miljoenen extra werkenden, de werkloosheid is afgenomen en zowel minimumlonen als pensioenen zijn aanzienlijk gestegen.
Tegelijkertijd zijn woningen, huren en dagelijkse boodschappen fors duurder geworden.
Vooral mensen die nog geen koopwoning bezitten, kunnen daardoor moeite hebben om van de economische groei te profiteren.
De cijfers laten zien dat een groeiende economie en hogere inkomens niet automatisch betekenen dat iedereen financieel beter af is.
Hoe de economische ontwikkelingen worden beoordeeld, hangt uiteindelijk ook af van iemands persoonlijke situatie, inkomen en woonlasten.
